Meditatie september 2017

Zoals een arend

Hoor mij aan, hemel, dan zal ik spreken!
Laat de aarde de woorden van mijn mond horen.
Laat mijn leer neerdruppelen als de regen,
laten mijn woorden stromen als de dauw,
als een zachte regen op het groen,
en als regendruppels op het gewas.
Want ik zal de Naam van de HEERE uitroepen;
geef grootheid aan onze God!
Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is,
want al Zijn wegen zijn één en al recht.
God is waarheid en geen onrecht;
rechtvaardig en waarachtig is Hij.

Zo begint Mozes zijn lied in Deuteronomium 32: 1 – 4, en dan komt wat verder in vers 9 – 12:

Want het deel van de HEERE is Zijn volk,
Jakob is het gebied dat Zijn eigendom is.
Hij vond hem in een woestijngebied,
in een woeste, huilende wildernis.
Hij omringde hem, Hij onderwees hem,
Hij beschermde hem als Zijn oogappel.
ZOALS EEN AREND ZIJN NEST OPWEKT,
BOVEN ZIJN JONGEN ZWEEFT,
ZIJN VLEUGELS UITSPREIDT, ZE PAKT
EN ZE DRAAGT OP ZIJN VLERKEN ,
zo heeft alleen de HEERE hem geleid,
er was geen vreemde god bij hem.

Afrikaanse zeearend in vlucht. Oost Afrika. Oeganda. Foto van Andrey Gudkov

Calvijn spreekt op een heel tere maar ook verrassend nuchtere manier over dit beeld van ‘moederlijke tederheid’. Hij geeft als uitleg bij vers 11: ‘Vervolgens vergelijkt God Zichzelf met een arend,die niet alleen zijn jongen onder zijn uitgespreide vleugels koestert, maar hen ook geduldig en met moederlijke tederheid aanzet om te gaan vliegen. Het zou niet op zijn plaats zijn om nu op een quasi-diepzinnige manier te gaan redetwisten over de natuur van een arend. De joden, die gewend zijn om over dingen die de mens onbekend zijn, gedurfde onzin te verkopen, hebben in deze tekst dingen gevonden die niet te maken hebben met de bedoeling van Mozes, die gewoon het voorbeeld van een arend gebruikt, zoals hij dat van elke andere vogel had kunnen doen. Ongetwijfeld is het zo, dat Christus, als Hij Zichzelf met een van hen vergelijkt, dezelfde zorg tot uitdrukking wil brengen. Hoe vaak zegt Hij, heb Ik uw kinderen bijeen willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens, maar gij hebt niet gewild (Matth. 23:37). Maar als iemand hier toch zou willen toepassen wat Aristoteles (een Griekse filosoof) over arenden vertelt, dan heeft hij mijn fiat; hoewel ik zelf geloof dat Mozes niets anders in gedachten gekomen is dan wat de woorden op zichzelf zeggen. Wat ons spontaan in gedachten komt, dat moet ons zonder meer voldoende zijn, namelijk dat wij met recht in verwondering gebracht dienen te worden door deze onwaardeerbare goedheid en goedertierenheid van God, dat Hij niet aarzelt om Zich zover neer te buigen, dat Hij ons met Zijn vleugels beschermt zoals een vogel, en door te fladderen ons opwerkt en eraan gewent om Hem te volgen.’

Ds. M. A. van den Berg

Start typing and press Enter to search