Meditatie november 2018

‘Voor nooddruft en voor overvloed’

De foto op de voorkant van het novembernummer van Kerkklanken lijkt een moderne variant van een bepaald soort van schilderijen uit de Gouden eeuw. In veel musea kun je er soms met bewondering naar kijken, je krijgt er haast trek van. Grote taferelen met zulke levensechte afbeeldingen van alles wat lekker is, dat je bijna je tanden in zou willen zetten om het op te eten. Vlees en wild, kazen en brood, mosselen en oesters, levensecht.

Voor onze welvarende voorouders uit de Zeventiende eeuw was het ene manier om zichtbaar te maken hoezeer men ‘gezegend’ was met overvloed. Uiteraard was die zegen aan God te danken, Die hen ‘mild en wel gevoed’ had. Van calvinisten is wel eens gedacht dat ze niet mochten genieten van hun God, maar dat is meer een karikatuur dan een kenmerk van het gereformeerde geloof. Calvijn sprak over de gaven van het aardse leven als de ‘niet te versmaden zegeningen’ van de Heere, die wij uit genade en goedheid mogen ontvangen. Vandaar dat er alle reden is om in november dankdag te houden, juist tegen het einde van het jaar, als de hele oogst weer binnen is, waarvan een mens mag leven. Het lijkt misschien niet te kloppen bij het sobere en strenge beeld dat wij van Calvijn soms hebben, maar als ik die fles wijn op tafel zie staan, dan denk is eraan hoe deze echte Fransman ook een wijnkenner was, die een goed glas zeker op waarde wist te schatten.

Toch is er bij alle terechte genieting ook een zekere soberheid geboden. Die overvloedige stillevens van alles wat heerlijk is om te genieten, doen ons bij nader inzien ook beseffen hoe tijdelijk en bederfelijk het alles is. Ook dat was de bedoeling van de schilder, dat de kijkers de vergankelijkheid van al het lekkers zou beseffen. Al dat heerlijke verse is binnen de korst mogelijke tijd bedorven. Wie helemaal op gaat in het genieten van aardse zegeningen dreigt er ook mee onder te gaan.

Israël moest op het hoogste dankfeest van de geestelijke kalender – Loofhuttenfeest – leren dat bij alle overvloed het ‘vergeten’ van de HEERE in de praktijk van het aardse leven een groot gevaar was. Het leven in het land van melk en honing mocht nooit het doel zijn, maar moest altijd het uitzicht openhouden op het grote feest van de genieting van Gods Aangezicht in het hemelse Kanaän. We ‘gebruiken’ onderweg de zegeningen, zou de kerkvader Augustinus zeggen, maar we ‘genieten’ alleen echt van God Zelf en Zijn eeuwige heerlijkheid.

Deze gedachten roept het ‘moderne stilleven’ waar-mee ons kerkblad in de maand van dankdag zich aandient bij mij op. Er is alle reden om in ons gebed en onze dankbare lofzang dat alles te verwoorden, zoals het gebeurt in de ‘Dankzang na het eten’, achter de Psalmen:

O Heer’, wij danken U van harte
Voor nooddruft en voor overvloed;
Waar menig mens eet brood der smarte,
Hebt Gij ons mild en wel gevoed;
Doch geef dat onze ziele niet
aan dit vergank’lijk leven kleev’,
maar alles doe, wat Gij gebiedt,
en eind’lijk eeuwig bij U leev’.

Ds. M. A. van den Berg

Start typing and press Enter to search