Meditatie november 2017

Gods medearbeiders, Gods akker en lof zingende zondaren,

In Psalm 51 bidt David om in staat gesteld te worden dankbaarheid te uiten: “Heere, open mijn lippen; dan zal mijn mond Uw lof verkondigen”. Hij had vier duizend lofzangers met instrumenten aangesteld om de HEERE lof te zingen, (1 Kron. 23:5) maar als de zonde de lof doet verstommen, want dat gaat niet samen, dan is er eerst dat ootmoedige gebed om opnieuw de opening van de lippen te mogen ontvangen om hartelijk en blijmoedig Gods lof te mogen verkondigen. Vanuit de zonde zomaar gaan zingen, dat lukt hem niet. Maar toen God het gaf werd hij – opnieuw – een zingende zondaar. Wat een koor is dát, zondaren ‘aangesteld’ om Gods lof te zingen. “Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen”. (Jes 43:21)

Op de voorpagina een fragment van het schilderij Korenveld met kraaien van Vincent van Gogh. In juni 1888 schilderde van Gogh “de Zaaier” en op 10 juli 1890, korte tijd voor zijn dood op 29 juli, “Korenveld met kraaien”.  Van “de Zaaier” wordt gezegd dat deze voor van Gogh model staat voor de zaaier van het woord van God.  Voortkomend uit zijn aanvankelijke drang om het Evangelie te verkondigen is het christelijke geloof latent in veel van zijn schilderijen aanwezig, maar pas in de laatste jaren van zijn leven schildert hij ronduit Bijbelse taferelen (zoals de Barmhartige Samaritaan in 1890). Dit jaar sierden meerdere schilderijen van van Gogh de voorpagina met een zekere ‘oogst’ aan meditatieve gedachten daarbij.
In maart “veegde de boer het zweet van zijn voorhoofd af, knielde hij naast zijn stilstaand paard, en wachtte hij op Gods woord.” In mei “bleef het grote Boek daar maar open liggen. En als dan ook de kaars nog wordt aangestoken, en het licht van de Geest over het Woord valt, dan weten we helemaal dat ons leven, en de ware vreugde daarvan, te vinden is in dit Lam, dat overwonnen heeft, en ons Leven en Vreugde wil zijn en geven!” In augustus klonk de stem van het vleesgeworden Woord: “Let op de raven: zij zaaien niet en maaien niet, zij hebben geen voorraadkamer en geen schuur, en God voedt hen. Hoever gaat u de vogels te boven?”

De HEERE voedt mensen en dieren en doet de mens de dieren ‘ver te boven’ gaan. Daarom wil Hij ons niet alleen voeden met ons ‘dagelijks brood’, dat wij van onze Vader in de hemel mogen bidden,  maar ook met het ‘Brood des Levens’ dat uit de hemel is neergedaald. Wie heeft er nog zin om te zondigen?

Op veel plaatsen in de Bijbel wordt het beeld van Gods Woord als zaad en van de mensen als akker gebruikt. Een aansprekend beeld; iedereen heeft voedsel nodig. Voedsel is levensnoodzakelijk en daarom kennen we allemaal wel enigermate de spanning van het zaaien, het wachten op milde regen en koesterende zon, de hoopvolle verwachting als het gewas gezond groeit, het zwoegen (met vreugde) om te oogsten en de blijdschap van de volle schuren.
Paulus gebruikt het beeld ook: Wie is Paulus dan, en wie is  Apollos, anders dan dienaren, door wie u tot geloof gekomen bent, en dat zoals de Heere aan ieder van hen gegeven heeft? Ik heb geplant,  Apollos heeft begoten, maar God heeft laten groeien. Dus is dan noch hij die plant iets, noch hij die begiet, maar God, Die laat groeien. En hij die plant en hij die begiet, zijn één,  maar ieder zal zijn eigen loon ontvangen overeenkomstig zijn eigen inspanning. Want Gods  medearbeiders zijn wíj. Gods akker en Gods  bouwwerk bent ú”. (1 Kor. 3: 4-9) Hebben Gods medearbeiders gelegenheid om te zaaien, te planten, nat te maken? Ontvangen wij met zachtmoedigheid het Woord dat in ons geplant wordt en dat onze ziel kan zaligmaken? (Jak 1:21)

Van Gogh’s ‘Korenveld met kraaien’ doet denken aan het houtsnijwerk van de kansel met daarop het grote Boek dat open ligt en waaruit gezaaid wordt door Gods medearbeiders in Gods akker. Zo zijn het schilderij en het houtsnijwerk ‘verbeeldingen’ van de woorden van de Heere Jezus in Matth. 13: 3 – 9: Zie, een zaaier ging eropuit om te zaaien. En toen hij zaaide, viel een deel van het zaad langs de weg; en de vogels kwamen en aten dat op. Een ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had; en het kwam meteen op, doordat het geen diepte van aarde had. En toen de zon opgegaan was, verschroeide het; en doordat het geen wortel had, verdorde het. Een ander deel viel tussen de dorens; en de dorens kwamen op en verstikten het. En weer een ander deel viel in de goede aarde en gaf vrucht, het ene honderd-, het andere zestig-, en een ander dertigvoudig. Wie oren heeft om te horen, laat hij horen”.

In de hemel (jawel!) is blijdschap over de zondaren die zich bekeren, die het zaad, het Woord van God, niet laten wegrukken door de boze, die niet oppervlakkig blijven, maar in het Woord wortelen en er sappen uit gaan zuigen, die zich niet bekommeren om wat er in de wereld te koop is en zich niet laten verleiden en verstikken door de rijkdom, maar die honderd, zestig, of dertigvoudig vruchten voortbrengen. Wat zijn die vruchten dan? “Laten wij dan altijd door Hem (onze dankende Hogepriester) een lofoffer brengen aan God, namelijk  de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden. En vergeet het weldoen en het onderlinge hulpbetoon niet,  want aan zulke offers heeft God een welgevallen. Gehoorzaam uw voorgangers en wees hun onderdanig, want zij waken over uw zielen  omdat zij rekenschap moeten afleggen, opdat zij dat mogen doen met vreugde en niet al zuchtend. Dat heeft immers voor u geen nut”. (Hebr. 13: 15 – 17)

“Heere, open mijn lippen; dan zal mijn mond Uw lof verkondigen”. Geve God het ook ons dan worden wij ook – opnieuw – zingende zondaren, die in december stil gaan luisteren naar de zingende engelen, die begerig zijn in te zien in de dingen die ons toegebracht worden in de openbaring van Jezus Christus, in de kribbe, aan het kruis en in Zijn heerlijkheid.

R. Schot

Start typing and press Enter to search